Na Svidenje Vida

Op doortocht in Slovenië lees ik de melancholische woorden van ‘s lands bekendste dichter Frans Prešeren. Hij dicht over de mooie Vida, die zich laat verleiden en land, kind en man verlaat voor een leven aan de zijde van een Moor. Lang duurt het echter niet, want het verlangen naar haar familie en land doen Vida wegkwijnen. Ze sterft.

Het is die melancholie die ik voel sluimeren in het kustland. De zon, de cipressen en de constante vergelijking met buurland Italië verhullen niet helemaal de sfeer, opgeroepen door kleine huizen, antieke auto’s en Slavische muziek.
Hier proberen jongeren los te breken van de wortels die de ouderen op hun plaats houden. Ze verwerpen het gevoel dat het leven is zoals het is en maken het zelf. Hier vind ik olijfboeren, briljante koks en kunstenaars. Wie geen werk vindt, creëert het zelf.
“De zon, de cipressen en de constante vergelijking met buurland Italië verhullen niet helemaal de sfeer, opgeroepen door kleine huizen, antieke auto’s en Slavische muziek.”

Het leven draait hier om de zon, die tegelijk de olijven rijpt, de kersen zoet en iedereen naar binnen jaagt in de middag. Vrouwen verzorgen hun huishoudens, mannen dalen af in hun koele kelders waar vaten huisgemaakte wijn en eigen gedroogde ham bewaard worden. Ik mag proeven van beide, de een steevast zurig, de ander zout.
En wanneer de zon dan eindelijk weg is, komt het leven terug. Vrouwen wauwelen met de buren, gezeten op vouwstoelen voor de deur. Mannen klemmen sigaretten, waar de tabak uitpuilt, tussen hun vingers en gaan van buurman tot buurman. Gedecideerd elkaars wijn proeven, en ham. Want dat hoort hier zo.

Ik wandel bij nacht door de straten van Koper. De warmte van de middagzon verdwijnt nooit helemaal van de straatstenen. Lantaarns verlichten de stegen, lamplicht kruipt tussen de kieren van houten luiken. Kinderen, blij dat het eindelijk koel genoeg is, rennen langs mij heen. Zolang geen volwassene hen binnen roept, blijft het feest duren.

Het binnenland, met brede valleien en hoge pieken in de verte, is heel anders dan de kust. Geen cipressen meer, geen eilandsteden zoals Koper. Maar de melancholie blijft. Hier wandel ik door geurige lavendelvelden, waar hagedissen tussen de struiken flitsen, en beklim ik rotswanden naast wild stromende rivieren.

Wanneer ik, bijna per ongeluk, op de resten van het partizanen hospitaal van dokter Franja stuit, zie ik het er het karakter van de Slovenen in weerspiegeld. Volharding. Dat is het woord dat in mij opwelt bij het zien van de houten barakken, gebouwd op palen boven watervallen en stroomversnellingen. Hier werden gevallen soldaten uit de tweede wereldoorlog verzorgd. Als ze de tocht erheen overleefden. De enige manier om het verborgen hospitaal te bereiken, was te voet doorheen de rivier. Stroomopwaarts en met een brancard. Amper twee man per keer kon de tocht wagen. Dat is te zeggen, twee man en de gewonde tussen hen in. Franja’s hospitaal, hoewel geheim en afgelegen, beschikte over voldoende bedden, een bron en een volledige operatiekamer. De weinige soldaten die het toch niet haalden, werden begraven in het bos. Wie weet hoeveel soldaten er nog rusten in hun ongemarkeerde graven.

Later, in het zuiden, ga ik zelf ondergronds. In Karst, de zogenaamde moeder van karstplateau’s wereldwijd, daal ik af in de Križna grotten. Verborgen in diepe bossen staat een ijzeren poort die maar gedeeltelijk de gapende ingang afschermt. Ik stap in rubberen laarzen en draag een antieke handlamp, houten handvat en klikschakelaar, verbonden met een batterij die om mijn heup hangt.
Klik. Licht valt op metershoge kamers, turquoise meren, goudglanzende bacteriën aan het plafond en de botten van de holebeer. Klik. De schaduwen vallen over mij en dompelen mij onder in het donker. Ik zie, voel, hoor niets meer. Ik ben ondergronds.

Maar het is Jeruzalem dat mij het meest bevalt. Een dorp van enkele huizen groot, met een kerk op een heuveltop, dat zijn naam kreeg van kruisvaarders, die hier eerder dan in de stad Jeruzalem de beloofde vrede vonden.
De flanken van de heuvels zijn hier begroeid met wijngaarden. Het is niet moeilijk om je hier een leven voor te stellen. Stilte, wijn en goed voedsel. Bijna voel ik de melancholie niet meer. Bijna. Want wanneer ik de kerk inga, vind ik in een verborgen hoekje de schedel en botten van weer een Vida. Deze Vida, amper al een vrouw, werd door een Turk uitverkoren deel uit te maken van zijn harem. Liever dan met hem mee te gaan, doodde ze zichzelf. Nu rust ze, zo goed als onopgemerkt, in een nis.

Na Svidenje, Vida, vaarwel.

_DSC9188

 

No Comments.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *